Kunstwerken van Carel Willink

Geen kunstwerken gevonden
Carel Willink

Over Carel Willink

Willink werd op 7 maart 1900 geboren te Amsterdam, als oudste van de twee zonen van Jan Willink en Wilhelmina Altes. Zijn vader had het, in die dagen zeer zeldzame, beroep van autohandelaar en was daarnaast ook amateur-schilder. Hij stimuleerde zijn zoon om ook te gaan schilderen en Carel maakte zijn eerste schilderij toen hij 14 jaar was. Hij volgde de HBS en studeerde van 1918-1919 medicijnen om vervolgens een jaar bouwkunde te studeren aan Technische Hogeschool Delft. Hij kon op beide opleidingen zijn draai niet vinden en besloot te kiezen voor een leven als kunstschilder. Omdat de moderne kunst haar bloeiperiode in Duitsland beleefde, besloot Willink naar het buurland te vertrekken om te studeren aan de prestigieuze Academie in Düsseldorf. Daar werd hij echter afgewezen waarna hij enkele weken aan de Staatliche Hochschule in Berlijn studeerde. Uiteindelijk werkte hij 3 jaar aan de Internationale Vrije Academie van Hans Baluschek. Hij behaalde geen diploma.

Tijdens zijn jaren op de academie experimenteerde Willink met allerlei kunststromingen. Eerst voelde hij zich sterk aangetrokken tot het impressionisme van Vincent van Gogh en hij maakte een aantal landschapschilderijen in een vergelijkbare stijl. Al snel raakte hij onder de indruk van het expressionisme van George Grosz en Otto Dix. Weer later maakte hij collages in de stijl van Kurt Schwitters. Bij zijn afstuderen raakte hij sterk onder invloed van het werk van Wassily Kandinsky en het constructivisme, en maakte hij een aantal volledig abstracte schilderijen en aquarellen. In 1923 exposeerde hij in Berlijn met de November Gruppe Novembergruppe in het Glaspalast bij de Lehrter Bahnhof. De kritieken waren heel goed (getuige de plakboeken van Carel Willink, te zien in het Rijksmuseum te Amsterdam, die de plakboeken momenteel in bruikleen heeft).

Bij zijn terugkomst in Nederland begon hij te experimenteren met kubisme en futurisme en werd hij lid van de avant-garde kunstgroep De Driehoek. Via deze groep kwam hij in contact met de schrijver E. du Perron. Hij zou een belangrijk adviseur en goede vriend blijven voor Willink tot aan zijn vroege dood in de meidagen van 1940.

Daarna ontwikkelde Willink een geheel eigen schilderstijl: een soort kubisme met sterke figuratieveelementen die een duidelijke samenhang hebben. Deze stijl was, wat kleurgebruik en compositie betreft, verwant aan het werk van Fernand Léger. Duidelijke voorbeelden van deze stijl zijn de schilderijen Drie Vrouwen, De Zilveren Bruiloft en De Klok. Willink wist zich met deze werken te ontwikkelen tot een redelijk succesvol kunstenaar.

In 1926 vertrok Willink voor een studiereis naar Parijs. Daar kwam hij in contact met het neoclassicisme van Pablo Picasso en zijn figuratieve schilderijen, veelal met klassieke onderwerpen maar wel een enigszins kubistisch karakter. Willink maakte in deze periode een aantal bekende werken als Duiven, Meisje met Duif en Rustende Venus

Op aanraden van zijn vriend Eddy du Perron begon hij steeds realistischer te schilderen. Willink maakte zich in deze tijden ook zorgen over de toekomst: de crisisjaren, de beurscrash, de depressie en de opkomst van communisme, fascisme en nazisme zorgden voor onzekere tijden. Hij werd moe van de oneindige reeks experimenten in de schilderkunst en had veel kunststromingen zien komen en gaan. Hij besefte dat schilderen voor hem de enige manier was om iets na te laten na zijn dood. Omdat de vele experimentele kunststromingen in zijn ogen modegevoelig waren besloot hij terug te grijpen op traditionele schildertechnieken. Zo ontwikkelde zich zijn tijdloze zeer realistische schilderstijl waarin vaak een dreigende, beklemmende en depressieve sfeer heerst.

Belangrijk voor Willinks stijlontwikkeling is zijn rondreis door Italië in 1931, waar hij gefascineerd raakte door klassieke beeldhouwwerken en Renaissance architectuur. Beide elementen komen veelvuldig in zijn werk terug. Ook maakte hij kennis met het werk van Giorgio de Chirico wiens voorliefde voor leegte, diepte, vreemde lichtvallen en extreme schaduwen ook zou opkomen in het werk van Willink. Bij zijn terugkomst uit Italië begon Willink meteen te werken aan twee schilderijen: Late Bezoekers aan Pompeï en Jobstijding, die beide kenmerkend zouden worden voor Willinks latere oeuvre.

Willinks eigen stijl paste goed binnen de trend van het magisch realisme en hij werd al snel het boegbeeld van deze groepering, waardoor hij een van de succesvolste schilders van de jaren 30 werd. In 1935 betrok hij een grachtenpand op de Amsterdamse Ruysdaelkade, en hij zou al zijn schilderijen daar op zijn zolder atelier maken.

In de oorlog werd het voor Willink moeilijker om nog schilderijen te verkopen. Hoewel zijn schilderstijl door de Duitsers als arische kunst werd bestempeld, weigerde hij ook maar één schilderij aan hen te verkopen. Om toch in zijn levensbehoeften te voorzien begon hij met het maken van portretten. De fotorealistisch geschilderde portretten pasten perfect binnen zijn eigen magisch realistische schilderstijl en al gauw gingen ze een groot deel van zijn oeuvre omvatten. Hoewel hij een portret puur als broodwinning zag werd hij de absolute grootmeester in dit genre. Willink was tot aan zijn dood Nederlands beroemdste, meest gevraagde en duurste portretschilder.

Na de oorlog nam de artistieke belangstelling voor het magisch realisme af, en daarmee ook voor het werk van Willink. Dat kwam door de opkomst van het abstract expressionisme en de Cobrabeweging, en ook met de rebelse tijdgeest waarbij de figuratieve schilderkunst als ouderwets werd gezien.

Willink ging op zijn beurt in de tegenaanval met zijn boek De schilderkunst in een kritiek stadium (1950) waarin hij flink uithaalde naar de experimentele schilderkunst. Hij bleef de traditionele schildertechniek trouw. Ook de zakenwereld bleef verzot op zijn werk, getuige zijn vele portretten die hij voor captains of industry en andere rijke zakenmensen maakte. Willinks vele opdrachten uit societykringen maakten zijn werk nog meer impopulair bij de avant-garde.

Hoewel zijn techniek onveranderd bleef, experimenteerde Willink wel met nieuwe onderwerpen. Tussen 1950 en 1965 maakte hij een serie schilderijen van veelal exotische dieren die hij in een ongebruikelijke omgeving integreerde. Een giraf of een neushoorn in een beeldentuin zorgt voor een vervreemdend effect. Ook stelde hij de moderne wetenschap tegenover de teloorgang van de klassieke met schilderijen waarop hij een lanceerinstallatie, een kerncentrale, een sloopmachine of atoomexplosie combineerde met verwoeste tempels of verweerde standbeelden. In 1961 maakte Willink een studiereis naar de Italiaanse tuinen van Bomarzo. De bizarre, monsterachtige standbeelden keerden een aantal malen terug in zijn werk.

In de jaren '70 vond er een opvallende verandering in het werk van Willink plaats: de vreemde lichtvallen en dreigende donkere wolken maakten plaats voor fel daglicht, een strakblauwe lucht en kleine witte wolkjes. Schilderijen als Rustende dryade en Portret van Rik (de vriend van Johan Polak) getuigden van een positieve levensvisie en hoop voor de toekomst. Het jaar 1980 zag een grote expositie van het oeuvre van Willink in het Stedelijk Museum, ter ere van de tachtigste verjaardag van de schilder. In datzelfde jaar nam hij deel aan de Franse tentoonstelling Les Réalismes. Willink voelde zich nu pas erkend als serieus kunstschilder. Hij overleed in 1983 kort na de publicatie van zijn geautoriseerde biografie Willinks Waarheid. Hij ligt begraven op Zorgvlied. Het grafmonument is ontworpen door zijn weduwe Sylvia Willink-Quiël.

Willinks eerste echtgenote was Mies van der Meulen (1900-1988) met wie hij in 1927 trouwde. Er ontstond een driehoeksverhouding met de bij hen inwonende schrijver Rein Blijstra, maar Mies koos uiteindelijk voor Rein Blijstra en Carel en Mies gingen in 1928 alweer uit elkaar. Willink hertrouwde in 1930 met Wilma Jeuken (1905-1960). Na dertig jaar huwelijk overleed ze aan een hersenbloeding.

In 1962 kreeg hij een relatie met de veel jongere en boomlange Mathilde de Doelder. Mathilde bleek later verzot op de dure kleding van o.a. Fong Leng en ze kleedde zich altijd in extravagante jurken en uitzinnige make-up. Door haar werd Willink van lieverlede steeds meer in "roddelbladen" genoemd en hun excentrieke relatie werd breed uitgemeten in de media. In 1969 traden ze in het huwelijk. Willink kreeg echter al snel genoeg van het veeleisende optreden en gedrag van Mathilde. In 1975 koos Willink definitief een nieuwe levensgezellin, de kunstenares Sylvia Quiël. Toen Mathilde uit jalouzie in 1975 Willinks lievelingsschilderij, een portret van zijn tweede vrouw Wilma, ernstig had beschadigd wees Willink haar de deur, en in 1977 trouwde hij voor de vierde keer, met Sylvia Quiël. Tot zijn dood zouden zij bij elkaar blijven. Willink schilderde haar drie keer en Sylvia maakte een borstbeeld van haar echtgenoot. Ook stelde zij in 1999 de biografie Een eeuw Willink samen. Ze beheert tevens Willinks auteursrechten.

Carel Willink maakte tussen 1917 en 1983 in totaal 319 schilderijen en aquarellen. Hij overleed op 19 oktober 1983 te Amsterdam.